Onderbouw

De staalconstructie moet de krachten overdragen op de fundering.
Belasting op de draagconstructie van EG, wind, sneeuw en gebruik.
Geeft buiging, druk, trek, wringing en torsie (of combinaties).
Buiging            I-profielen en kokers
Druk                 Buis en koker profielen
Vaak U of C profielen ivm bevestiging en controle op roest, nadeel is dat deze kunnen                         torderen om de lengte-as
Torsie               Buis en koker profielen
Voor trek maakt profiel niet zoveel uit, zo slank mogelijk ivm lichtonderschepping

Kolommen
Kolommen moeten loodrecht worden geplaatst, scheefstand niet meer dan 1 mm per 200 mm hoogte met een max van 20 mm, gemeten ter hoogte van de stabiliteitsverbanden.

Liggers
Liggers dragen de krachten af naar de kolommen en vormen de verbinding (stabiliteit) in de dwarsrichting.
De liggers worden buigvast verbonden met de kolom middels kopplaten.
Aan de liggers worden het luchtmechaniek, de beregeningsinstallatie, de verwarmingsinstallatie, de gewasdraden en de schermdoeken bevestigd.
De hoogte van de tralieligger geeft de sterkte.

Goten   (Boal/Alcomij)
Zijn niet alleen waterafvoer maar ook liggers in de lengterichting, verbinden kolommen en dragen krachten van het dek af naar de kolommen. De zwevende goot steunt bovendien de bovenrand van de tralieligger (wordt op druk belast en heeft de neiging te torderen).
De opzetkolommen die de goot verbinden met de kolom moeten buig- en torsie stijf zijn.
In de eindvakken is er een moment vaste verbinding (bouten min. 120 mm hoh en gootschaal) met de gevelkolom en zijn er extra ondersteuningsmaatregelen.
Als de goot smaller is dan hij hoog is dan is ie gevoelig voor horizontale belasting (wind), met name bij de zijgevelgoot en de eerste zwevende goot. Vaak hierdoor een windverband in de buitenste kap.

Schoren
Stabiliteitsverbanden bij een kas;

  • Tussen de kolommen in de gootrichting (verticale kruisschoren)
    Om kanteling van de poeren te voorkomen wordt een koppelbalk toegepast (momentvast). Vaak aan bovenzijde ook koppelregel. De kruisschoren worden aan de bovenzijde zo dicht mogelijk bij de goot op de kolom (en kopregel) vastgezet met spankwartels. De ogen van de spankwartels worden dichtgelast.
    Kruisschoren zoveel mogelijk in het midden van de kas, vaak aan weerszijden middenpad maar niet in eerste vak en max 40 m uit elkaar (ze mogen ivm uitzetting niet meer dan 40 m goot insluiten).
    Er kan als alternatief voor kruisschoren een portaalspant (stijf) worden toegepast. Let hierbij op zwaardere fundering (evt middenpad als koppelbalk). Voordeel is dat er geen aparte transportbalken boven middenpad hoeven.
  • Tussen de goten
    Tussen de goten, ter hoogte van de bovenkant van de kolom zijn 2 horizontale windverbanden aangebracht. Deze schoren verbinden de zwevende goten met de vaste goten zodat ze niet in de lengte richting gaan bewegen of gaan kantelen. Om de goten niet teveel te belasten kunnen de schoren in het tweede en voorlaatste vak geplaatst worden. Als de goot sterk genoeg is dan mogen ze ook in het kruisschoorvak geplaatst worden.
  • Horizontale windverbanden bij de tralieliggers
  • In de kopgevels
    Veelal in de hoeken van de kas aangebracht maar dit is niet noodzakelijk. Bij brede kassen (veel kappen) is het raadzaam om de schoren zover naar binnen te zetten dat de afstand tussen de schoren en de zijgevel max. 100 m wordt. Hiermee wordt de uitzetting in de breedte van de kas opgevangen. In de hoeken dan drukkoker om gewasbelasting op te vangen, de krachten uit zijgevel worden zo over meerder kopgevelvakken verdeeld. De randfundering fungeert als koppelbalk. Bij cassettevoet moeten er bij de kruisschoren in de gevel koppelbalken worden gemonteerd.
  • In de zijgevels
    Schoren op dezelfde wijze en op dezelfde plaats als bij de binnenkolommen.
  • In het dek (windverbanden)

Bij de breedkapper zijn tussen de gordingen dekschoren aangebracht, zo dicht mogelijk achter de kopgevel. Deze gordingen zijn vaak extra verzwaard of voorzien van drukkokers evenwijdig aan aan de gording. De schoren (en de fundering) zijn bij een breedkapper zwaarder. In de kopgevels worden de kolommen vaak net onder de goot geschoord naar het eerste spant toe.

Dilatatie toegepast als de kas te groot wordt. Bestaat vaak uit flexibele verbinding, rubber strip van 100 mm breedte.
In de breedte nodig als > 270 m
In de lengte nodig als > 200 m
Het uitzetten en krimpen van de kas geeft met name problemen in de uiteinden van de gevels in de gootrichting (zij- en tussengevels), hier wordt vaak gedeeld glas toegepast (sterker). Bij een kolomhoogte vanaf 4,5 m is dit veelal niet nodig.
Wegens windbelasting is de eerste 2 m uit de hoek altijd gedeeld glas.